Opluchting bij Veehouders: Brabant past stallenbeleid aan

Publicatiedatum: 16 april 2026

De provincie Noord-Brabant heeft gisteren aangekondigd een aantal wijzigingen door te voeren in het stallenbeleid voor de veehouderij. Het gaat daarbij om aanpassingen in de regels rondom ammoniakemissie, bestaande stalsystemen en de manier waarop bedrijven aan de normen kunnen voldoen. “Met deze wijzigingen komt er tijdelijk meer ruimte voor bestaande stalsystemen die opzichzelf voldoen”, zegt Jeroen van Boxmeer, adviseur Vergunningen bij DLV Advies. “Waar bepaalde stalsystemen voorheen niet opgenomen waren in de menukaart en dus ook niet meetelden voor de ammoniakreductie, mogen veehouders met deze systemen in een aantal gevallen rekenen op uitstel van de verplichte stalaanpassingen. Tegelijkertijd blijft de richting helder: emissies moeten omlaag, en onderbouwing wordt steeds belangrijker.”

De aangekondigde wijzigingen zorgen op een aantal punten voor meer ruimte. Zo ontstaat er voor bedrijven met meerdere stallen meer flexibiliteit om maatregelen op bedrijfsniveau in te zetten en te verrekenen. Daarnaast is er tijdelijke ruimte voor bestaande stalsystemen via de overgangsregeling. Tegelijkertijd worden de spelregels rondom onderbouwing en meetbaarheid verder aangescherpt. Deze opgave ligt met name bij de systemen die onder de uitstelregeling vallen: de komende jaren moet duidelijk worden hoe deze in de praktijk presteren. Voor ondernemers betekent dit dat er meer mogelijk lijkt, maar dat keuzes steeds nadrukkelijker moeten worden onderbouwd en passen binnen de richting die de provincie uitzet.


Provincie geeft ruimte aan onderbouwing

Een van de belangrijkste wijzigingen is de overgangsregeling voor bestaande stalsystemen die eerder zijn toegepast, maar nu niet op de zogeheten ‘menukaart’ staan. Het gaat bijvoorbeeld om biologische combiluchtwassers bij varkens, volièrehuisvesting bij legkippen en warmtewisselaars bij vleeskuikens. Voor deze en vergelijkbare systemen geldt dat ze in bestaande stallen voorlopig mogen blijven staan, ook als ze ouder zijn dan 15 jaar, al is de definitieve lijst van systemen die onder deze uitzondering vallen nog niet vastgesteld. Jeroen: “Het is uitstel, geen afstel. Uiterlijk 1 januari 2030 moet duidelijk zijn of deze systemen alsnog worden opgenomen op de menukaart, of dat aanpassing nodig is. De provincie geeft hiermee tijd om beter te onderbouwen hoe systemen in de praktijk presteren. Maar die onderbouwing moet er uiteindelijk wel komen.” Dit biedt ook een kans voor de praktijk om deze tijd goed te benutten en de prestaties van de systemen bijvoorbeeld te bemeten.

Nieuwe situaties blijven beperkt

De overgangsregeling geldt alleen voor bestaande stallen. In nieuwe situaties of bij aanpassingen mogen deze systemen niet worden toegepast. “De reden daarvoor ligt in de onzekerheid over de daadwerkelijke emissiereductie. Zolang die niet voldoende is aangetoond, kiest de provincie ervoor om alleen bewezen systemen toe te staan. Dat betekent dat je bij uitbreidingen of nieuwbouw nog steeds vastzit aan de systemen op de menukaart. Afwijken daarvan kan alleen met een hardheidsclausule, waar aanvullende eisen voor gelden”, aldus Jeroen.

Meer flexibiliteit op bedrijfsniveau

Een tweede belangrijke wijziging zit in de manier waarop bedrijven mogen voldoen aan de emissienormen. In de eerdere regels zat een knelpunt: bedrijven met jongere stallen die nog niet aangepast hoefden te worden mochten eerst niet gemiddeld voldoen met enkel de stallen die wel aangepast moesten worden. Dat wordt nu hersteld. Hierdoor ontstaat meer flexibiliteit voor bedrijven met meerdere stallen. Emissiereductie mag weer breder worden benut binnen het bedrijf, zolang wordt voldaan aan de uitgangspunten van de regeling. “Dit sluit veel beter aan bij hoe bedrijven in de praktijk werken. Je neemt maatregelen vaak op bedrijfsniveau, niet per stal. Dat dat nu ook zo mag worden doorgerekend, maakt het realistischer.” Tegelijkertijd blijven er grenzen. Alleen systemen en maatregelen waarvan de werking bekend is en die op de menukaart staan, mogen worden meegenomen in die berekening.

Onderbouwing wordt bepalend

Naast de inhoudelijke wijzigingen heeft de provincie ook duidelijker gemaakt hoe nieuwe technieken op de menukaart kunnen komen. De lat ligt daarbij hoog. Systemen moeten meetbaar effectief zijn, onderbouwd met meetrapporten en beoordeeld door onafhankelijke deskundigen. Pas als de werking voldoende zeker is, kunnen ze breed worden toegepast. Is die zekerheid er nog niet, dan blijft alleen maatwerk via een hardheidsclausule mogelijk. “Dat bevestigt een ontwikkeling die al langer gaande is,” benoemt de adviseur. “Niet alleen toepassen, maar ook aantonen dat het werkt. Daar ligt steeds meer nadruk op.”

Nog niet definitief, wel richtinggevend

De aangekondigde wijzigingen moeten nog formeel worden doorgevoerd in de Omgevingsverordening. Provinciale Staten moeten daar nog over besluiten. Dat betekent dat de regels nog kunnen wijzigen. Tegelijkertijd geven ze wel een duidelijke richting voor de komende periode. “De wijzigingen laten met name zien dat de sector meebeweegt van vaste oplossingen naar onderbouwde keuzes. Er blijft een kader van normen en toegestane systemen maar binnen dat kader ontstaat ruimte, mits duidelijk is wat een maatregel doet en hoe die bijdraagt aan emissiereductie.”

 

Van KringloopWijzer naar een concrete route richting 2035

Het stikstofbeleid en de nieuwe emissienormen richting 2035 roepen bij veel melkveehouders dezelfde vraag op: wat betekent dit straks voor mijn bedrijf?...

Lees verder

"MEER REDUCEREN, HOE DAN?" - BLOG GERBEN

De stikstofdiscussie duurt inmiddels zo lang dat de ontwikkeling van bedrijven steeds verder onder druk staat. Op korte termijn moet er iets gebeuren. Investeringen...

Lees verder

Meer nieuws

Onze adviseurs staan
voor u klaar