Hokverrijking en nestmateriaal: wat de NVWA van jou verwacht en hoe je dat praktisch rond krijgt

Publicatiedatum: 26 februari 2026

De regels rond hokverrijking zijn de afgelopen tijd een stuk minder rekbaar geworden. In de basis is het simpel: varkens moeten permanent materiaal hebben waar ze mee kunnen eten en wroeten. En bij zeugen en gelten moet er in de laatste week voor werpen echt nestmateriaal beschikbaar zijn. In de praktijk zit de uitdaging niet in wat je aanbiedt, maar in hoe je het aanbiedt en of je het aantoonbaar goed hebt geborgd. We zetten voor jou de punten op een rij waar varkenshouders in de praktijk op vastlopen: de 25%-norm, de hoogte van dosators, materiaal dat in de trog belandt, en wat ‘wroetbaar’ in de ogen van toezichthouders betekent.

Het gaat niet meer om iets in het hok hebben hangen of afleiding aanbieden. De interpretatie die nu leidend is: het materiaal moet beide zijn:

  • Eetbaar: organisch materiaal dat varkens direct kunnen opnemen (en aantrekkelijk is).
  • Wroetbaar: het moet (uiteindelijk) op de vloer beschikbaar zijn, zodat varkens er met de snuit echt in kunnen werken: verplaatsen, slopen, vorm veranderen.

Als je systeem vooral leunt op hangende spullen (kettingen, kunststof, ballen, harde blokken), dan voelt dat misschien prima in de stal, maar het draagt niet automatisch je juridische onderbouwing. Zeker niet als er weinig op de vloer terechtkomt. Wat je hiermee wil voorkomen is discussie tijdens inspectie over “het is er wel, maar ze kunnen er niet mee wroeten”.

De 25%-regel: hier gaat het in de praktijk het vaakst mis

De eis die je serieus moet nemen is: minimaal 25% van de dieren in een groepshok moet op elk moment tegelijk met verrijking aan de slag kunnen. Dat is geen gemiddelde over de dag.

Waar het misgaat:

  • één ruif of één koker voor een hele afdeling
  • verrijking die snel leeg is (dus niet permanent)
  • materiaal dat wel wordt verstrekt, maar vooral in de mestput verdwijnt (waardoor er op de vloer weinig overblijft)

Loop een ronde op een willekeurig moment (niet net na voeren of strooien) en kijk: ligt er nog schoon, verplaatsbaar materiaal op de vloer waar een deel van de groep mee bezig kan? Als het antwoord vaak “nee” is, dan ben je kwetsbaar.

Dosators en ruiven: hoogte en waar valt het materiaal?

Gebruik je ruiven, manden, kokers of voorraadbunkers? Dan zijn er twee punten die het verschil maken: hoogte en het materiaal moet wroetbaar worden. Varkens moeten er goed bij kunnen. Als ze de snuit hoger dan (ongeveer) schofthoogte moeten optillen, wordt het al snel gezien als onvoldoende bereikbaar. Dit klinkt klein, maar het is precies het soort detail waar inspecteurs op letten. Materiaal uit een dosator moet ook echt op de vloer terechtkomen, zodat het wroetbaar wordt. Als het vooral in een trog terechtkomt of direct door roosters de put in valt, dan lever je in op “wroetbaar” en op “permanent beschikbaar”. Tip uit de praktijk: bij kort materiaal (bijvoorbeeld luzerne) werkt een dichte plaat onder de dosator vaak beter dan je denkt. Je voorkomt verlies en je krijgt zichtbaar wroetbaar materiaal op de vloer.

De grootste valkuil: verrijking in de trog telt niet mee

Dit punt lijkt logisch, maar veroorzaakt in stallen met brijvoer en lange troggen regelmatig gedoe: materiaal dat in de voerbak/voertrog belandt, telt niet mee als hokverrijking. Dus hang je een koker met briketten boven een trog en valt het erin? Dan ben je jezelf aan het overtuigen, maar niet de inspecteur. Langstengelig materiaal boven een lange trog kan soms wel, omdat het er door varkens uitgetrokken wordt en op de vloer terechtkomt. Maar de praktijk moet dat laten zien: restanten op de vloer. Vuistregel: als jij na een uur vooral verrijking in de trog ziet en niet op de vloer, dan is je systeem juridisch zwak.

“Schoon en vernieuwend” is geen bijzaak

Verrijking verliest snel waarde als het nat is, zichtbaar bevuild raakt, stoffig is of al weken dezelfde vorm en plek heeft. De praktische norm die terugkomt: minimaal één keer per week verversen/aanvullen/vervangen om het interessant te houden. Variatie werkt vaak beter dan steeds hetzelfde. Niet omdat varkens “verwend” zijn, maar omdat verveling en frustratie precies de triggers zijn die staart- en oorbijten makkelijker laten ontstaan. Zeker in periodes met extra stress (spenen, klimaat, voerwissels, gezondheidsdruk).

Zeugen en gelten: nestmateriaal moet functioneel zijn (niet symbolisch)

Voor de kraamstal en de laatste week voor werpen geldt: zeugen/gilten moeten nestbouwgedrag kunnen uitvoeren. Dat vraagt materiaal dat krab- en wroetbaar is op de vloer, in de bek te nemen is, schoon en droog blijft en veilig is (geen splinters, geen schimmel, geen rommel). Los stro/hooi kan prima, maar kan bij fixatie snel buiten bereik raken. Daarom zie je steeds vaker combinaties zoals een jute doek (stevig genoeg, deels op de vloer, bij de kop bevestigd) als praktische oplossing. Let wel op rafelen en op het risico dat het doek nat wordt of in de trog terechtkomt. Praktische signalen dat het niet klopt: onrust, tandenknarsen, bijten in de box, “wroeten” tegen vloer/hekwerk.

Zo maak je het inspectieproof zonder je stal om te bouwen

Drie manieren die in de praktijk vaak het verschil maken:

1. Combineer in plaats van één oplossing voor alles
Bijvoorbeeld: dagelijks strooien (voor piekmomenten) en een dosator of jute/touw (voor de uren ertussen). Daarmee borg je de 25% permanent.

2. Maak zichtbaar dat het werkt
Inspecteurs kijken of varkens er echt gebruik van kunnen maken. Restanten op de vloer, meerdere dieren tegelijk bezig, geen strijd rond één punt: dat is je beste bewijs.

3. Leg de nadruk op borging, niet op gadgets
Een simpel systeem dat altijd werkt (voldoende materiaal, bereikbaar, blijft liggen, wordt bijgehouden) is sterker dan een creatief systeem dat op papier mooi is maar in de praktijk leeg/nat/ontoegankelijk raakt.

Snelle zelfcheck (2 minuten per afdeling)

Loop een ronde en beantwoord per hok:

  • Is er nu (dus niet “straks na bijstrooien”) eetbaar en wroetbaar materiaal beschikbaar?
  • Kan minimaal een kwart van de groep er tegelijk mee aan de slag?
  • Komt het materiaal op de vloer terecht en blijft het daar schoon genoeg?
  • Zit er niets structureel in de trog dat je eigenlijk als verrijking mee rekent?
  • Is het deze week ververst/aangevuld of is het al “stal-inventaris” geworden?

Als je hier op één of meer punten twijfelt, dan is het meestal geen grote verbouwing, maar een kwestie van hoeveelheid, plaatsing, hoogte en onderhoudsritme.

Hulp nodig bij jouw staloplossing?

De beste oplossing hangt af van roosters/dichte vloeren, mestafvoer, groepsgrootte, voerstrategie en arbeid. DLV Advies kan praktisch meekijken: welke materialen passen bij jouw systeem, hoe borg je de 25%-norm en hoe voorkom je dat verrijking in put of trog verdwijnt. Dat scheelt gedoe bij inspectie en geeft vaak rust in de groep. Vul onderstaand contactformulier in en we nemen contact met je op.

Leg ruwvoer op dichte vloer en vang vuil water op

Veehouders moeten ruwvoer opslaan op een bodembeschermende voorziening en voorkomen dat perssap en vervuild hemelwater in bodem of oppervlaktewater terechtkomen....

Lees verder

Koudebruggen: vooral condens verdient aandacht

In een bewaarplaats zijn koudebruggen bijna niet te vermijden. Ze zorgen voor extra warmtetoetreding, maar het thermische effect daarvan is meestal gering....

Lees verder

Meer nieuws

Onze adviseurs staan
voor u klaar

Wilt u onze nieuwsbrief ontvangen?


De nieuwsbrief van DLV Advies wordt een keer per maand verstuurd met de meest interessante en actuele ontwikkelingen in de agrarische sector. Incidenteel kunt u nieuws en informatie ontvangen in een extra nieuwsbrief. Uw persoonsgegevens worden conform onze privacyverklaring verwerkt.

* verplichte velden