Nieuwsarchief
Melkveebedrijf Van Poppel onderzoekslocatie voor het meten van de volledige emissiekringloop

Niet rekenen, maar meten. Op het melkveebedrijf van Gijs en Paula van Poppel in Molenschot (NB) wordt momenteel op grote schaal praktijkdata verzameld over ammoniak, methaan en meststromen. Binnen de Praktijkaanpak Emissiearme Veehouderij draait het om één centrale vraag: hoe ziet de volledige emissiekringloop er in de praktijk uit? Onder leiding van projectleider Anne van Heesbeen (DLV Advies) wordt hier de stap gezet van modellen naar meetbare werkelijkheid.
Op het bedrijf vindt binnen het project ‘Jumpstart van Poppel’ onderzoek plaats naar een methode om de volledige emissiekringloop van een agrarisch bedrijf integraal in kaart te brengen. Waar de sector lange tijd leunde op theoretische rekenmodellen, ligt de focus hier op continu meten. In de stal, uitgerust met een dichte vloer en mestrobots, worden real-time ammoniak- en methaanconcentraties gevolgd. Tijdens een symposium van de Praktijkaanpak Emissiearme Veehouderij in het provinciehuis in Arnhem lichtte Anne deze aanpak toe. Daarbij lag de nadruk op het belang van praktijkdata als fundament voor toekomstig beleid en bedrijfsvoering: meten op bedrijfsniveau als sleutel tot onderbouwde keuzes en meer handelingsruimte voor ondernemers.
Productie Van Poppel: 12.000 kilo melk per koe
Volgens Anne is melkveebedrijf Van Poppel een voorloper op het gebied van circulaire landbouw en emissiereductie. Het bedrijf telt 190 melkkoeien met een gemiddelde productie van 12.000 kilogram melk per koe. Intensieve productie wordt gecombineerd met geavanceerde techniek, waaronder drie Lely melkrobots en 80 hectare grond voor gras, maïs en tarwe. De stal is voorzien van een dichte rubberen vloer en drie mestrobots die verse mest direct afvoeren. Deze mest wordt vervolgens verwerkt in een eigen monomestvergister met stikstofstripper. Anne positioneert dit als een integrale systeembenadering waar sinds 2017 aan wordt gebouwd: gericht op het sluiten van kringlopen en het minimaliseren van externe mestafvoer.
Zes meststromen vierwekelijks meten
De pilot reikt verder dan de stal alleen. Onder regie van Anne wordt het volledige systeem gevolgd. Zes verschillende meststromen worden structureel bemonsterd en geanalyseerd: Drijfmest, Dikke fractie, Dunne fractie, Digestaat uit de monovergister, Ammoniumsulfaat uit de stikstofstripper en Effluent. Elke vier weken worden deze stromen gewogen en bemonsterd. Het doel is om de exacte bemestende waarde en werkingscoëfficiënten vast te stellen. Volgens Anne zit de meerwaarde juist in dit detailniveau: het geeft veehouders concrete handvatten om meststromen gerichter in te zetten, kunstmestgebruik te verminderen en emissieverliezen tijdens opslag en aanwending te beperken.
Onderzoek naar gewaskwaliteit en stikstof in bodem
Naast de meststromen wordt ook de impact op bodem en milieu nauwkeurig gevolgd. Op het bedrijf zijn peilbuizen geplaatst om nitraatconcentraties in het grondwater te meten. Daarnaast vinden residumetingen in de bodem plaats en worden gewassen structureel geanalyseerd. Tussen medio oktober en november wordt het stikstofresidu in de bodem bepaald: een indicator voor het risico op uitspoeling. In het voorjaar van 2026 is bovendien het stikstofleverend vermogen van alle percelen vastgesteld. Hierdoor ontstaat inzicht in de interactie tussen meststromen, bodem en weersomstandigheden. De drie peilbuizen fungeren als controlemechanisme: ze maken zichtbaar of de daadwerkelijke nitraatconcentraties onder de forfaitaire normen blijven. Ook de gewaskwaliteit maakt onderdeel uit van de kringloopanalyse. Twaalf keer per jaar worden grasmonsters genomen, gekoppeld aan mestanalyses, kuiluitslagen en voervoorraadmutaties. Door deze koppeling ontstaat een compleet beeld van de efficiëntie van het systeem.
Nog geen resultaten bekend
Hoewel eerdere inzichten binnen de Praktijkaanpak laten zien dat technische innovaties emissies kunnen verlagen, zijn de resultaten van deze integrale pilot nog in ontwikkeling. Anne gaf aan dat 2026 het centrale meetjaar is en dat de datastroom nu pas op gang komt. Definitieve conclusies vragen daarom nog tijd. Tegelijkertijd is de afgelopen jaren al veel opgebouwd: kennisinzichten, infographics en discussienotities vormen de basis voor een datagestuurde benadering van de veehouderij. De volgende stap ligt bij de wetenschappelijke borging. Wageningen University werkt aan een officiële rapportage, waarmee de sector de overgang wil maken van aannames naar harde, gemeten emissiecijfers.

Het team
De pilot wordt uitgevoerd op Melkveehouderij Van Poppel in het Brabantse Molenschot. Anne van Heesbeen is namens DLV Advies betrokken als projectleider. De metingen worden uitgevoerd door Connecting Agri&Food (stalemissies en datakoppeling), Wageningen University & Research (werkingscoëfficiënten verschillende mestfracties), Eurofins (meststromen, bodem en grondwater) en Soilz (N-residumetingen). De pilot wordt mede mogelijk gemaakt door de financiering vanuit de provincie Noord-Brabant, Rabobank en ZuivelNL.
![]()


Dit artikel is in aangepaste vorm overgenomen van Melkvee.nl.